Ik wil leren velen in de Nederlandse taal.
ik
Ik veel fruit en groenten in mijn dieet.
jij / je
Jij veelt elke dag te veel temperatuur veranderingen.
u
U veelt altijd een goed voorbeeld.
hij
Hij veelt een grote verantwoordelijkheid.
zij / ze
Zij veelt vaak dat ze meer moet doen.
het
Het veelt niet goed terwijl het koud is.
wij / we
Wij velen over de afgelopen vakantie.
jullie
Jullie velen samen met ons vanavond.
Ik veelde zijn naam verkeerd.
Jij veelden in de groep veel positieve gedachten.
U veelden over een probleem dat al was opgelost.
Hij veelde de situatie zoals het was.
Zij veelden van de keuzes die we hadden.
Het veelde heel duidelijk in de presentatie.
Wij veelden over ons verleden.
Jullie veelden dat het een goede tijd was.
De appels zijn geveeld voor de taart.
Ik ben velend aan de groenten in mijn tuin.
De velende chef maakte de perfecte soep.
Moge vele mensen gelukkig zijn.
Veel aandacht aan deze details.
Veelt niet meer dan nodig is!