Verb
Infinitief
Tegenwoordig deelwoord
ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het, wij / we, jullie
het
Voltooid deelwoord
Verleden tijd
ik, hij, zij / ze, het
wij / we, jullie
Tegenwoordig deelwoord
Aanvoegende wijs
Examples
De kinderen verbergen zich tijdens een spel.
tegenwoordige tijd, indicatief
Hij verbergt altijd zijn echte gevoelens.
tegenwoordige tijd, indicatief