Verb
Infinitief
Tegenwoordig deelwoord
Tegenwoordige tijd
ik
jij / je, u
hij, zij / ze, het
wij / we, jullie
Verleden tijd
ik
jij / je
u
hij, zij / ze, het
wij / we
jullie
Voltooid deelwoord
Gebiedende wijs
Aanvoegende wijs
Examples
Zij vraagt altijd om alles vermeld te hebben in het verslag.
tegenwoordige tijd, indicatief