Infinitief Ik wil niet dat hij zijn huiswerk verslonzen.
Tegenwoordig deelwoord Ze is verslonzend bezig met haar project.
De verslonzende toestand van de tuin is te zien.
Tegenwoordige tijd ik
Ik verslons mijn verantwoordelijkheden als ik te moe ben.
jij / je
Jij verslonst altijd je afspraken.
u
U verslonst de regels van het spel.
hij
Hij verslons zijn huiswerk soms.
zij / ze
Zij verslonst haar studie.
het
Dat project verslons ik regelmatig.
wij / we
Wij verslonzen ons niet in de training.
jullie
Jullie verslonzen de regels van de klas.
Verleden tijd ik
Ik verslonsde eerder mijn lessen.
jij / je
Jij verslonste je werk in het verleden.
u
U verslonste het onderzoek.
hij
Hij verslonsde zijn verantwoordelijkheden.
zij / ze
Zij verslonste haar verplichtingen.
het
Het project verslonsde snel.
wij / we
Wij verslonsten onszelf in de uitdaging.
jullie
Jullie verslonsten de taak.
zij / ze
Zij verslonsten hun afspraken.
Voltooid deelwoord Hij heeft zijn werk verslonsd.
Aanvoegende wijs Ik hoop dat hij niet verslonze voordat het project klaar is.
Gebiedende wijs Verslons je verantwoordelijkheden niet!
This dictionary is AI-generated — the only complete Dutch learner's dictionary of its kind. I'm currently updating to the latest AI models, so you may spot the occasional mistake. If something looks off, trust your instincts.