Ik wil een verhaal verzinnen.
Het verzinnend verhaal is spannend.
De verzinnende leerlingen hebben creativiteit.
ik
Ik verzin een plan.
jij / je
Jij verzint een grap.
u
U verzint een oplossing.
hij
Hij verzint een verhaal.
zij / ze
Zij verzinnen een idee.
het
Het verzint een nieuwe naam.
wij / we
Wij verzinnen een strategie.
jullie
Jullie verzinnen iets moois.
Ik verzon een verhaal.
Jij verzon een idee.
U verzon een oplossing.
Hij verzon een grap.
Zij verzonnen een plan.
Het verzon een nieuwe naam.
Wij verzonnen een verhaal.
Jullie verzonnen een oplossing.
Ik heb een idee verzonnen.
Verzin een nieuwe naam!
Verzint een oplossing!
Als ik dat verzinne, zou het leuk zijn.