Ik wil leren vijzen.
ik
Ik vijs het hout glad.
jij / je, u
Jij vijst de spijker in de muur.
hij, zij / ze, het
Hij vijst de panelen gelijk.
wij / we
Wij vijzen de planken samen.
jullie
Jullie vijzen de tafel mooi af.
Ik vees het hout gisteren.
Jij vees de planken goed terug.
Hij vees het materiaal met zorg.
Wij vezen de tafel vorige week.
Jullie vezen de deuren eerder.
Het hout is gevezen voor de afwerking.
Hij is vijzend bezig met het project.
De vijzende arbeider werkt snel.
Laat hem vijze wat hij denkt.
Vijs het voorwerp vast!
Vijst dat plankje goed!