hebben
werkwoord
gericht op het verwerken van vlees
Hij wil vlezen.
Zij is vlezend bezig met het bereiden van het gerecht.
De vlezende eigenaar bereidt het vlees.
ik
Ik vlees het vlees voor het avondeten.
jij / je
Jij vleest de steak heel goed.
u
U vleest met zorg.
hij
Hij vleest het vlees voor de barbecue.
zij / ze
Zij vleest het vlees voor een maaltijd.
het
Het vleest gemakkelijk wanneer het goed wordt verwarmd.
wij / we
Wij vlezen het vlees samen.
jullie
Jullie vlezen het vlees met een scherpe mes.
Ik vleesde het vlees gisteren.
Jij vleesde het vlees afgelopen week.
U vleesde het vlees met veel geduld.
Hij vleesde toen met een bot mes.
Zij vleesde het vlees voor de kookles.
Wij vleesden het vlees tijdens het kamp.
Jullie vleesden het vlees vlak voor het eten.
Het vlees is gevleesd en klaar om te koken.
Moge hij vleze met succes.
Vlees het eerst voordat je het kookt.