Ik hou van het geluid van vonken.
De vlammen zijn vonkend en helder.
Ik zie een vonkende ster aan de hemel.
De componenten zijn goed gevonkt voor de bevestiging.
ik
Ik vonk met staal.
jij / je, u
Jij vonkt altijd als je aan het werk bent.
hij, zij / ze, het
Hij vonkt als hij met vuur speelt.
wij / we
Wij vonken van enthousiasme.
jullie
Jullie vonken met plezier.
Ik vonkte tijdens het experiment.
Jij vonkte van blijdschap.
Zij vonkte met de haard branders.
Wij vonkten samen met onze vrienden.
Jullie vonkten recht omhoog.
Vonk voorzichtig met het vuur!
Vonkt goed in de klassen!
Moge hij vonke als een ster.