Verb

Infinitief

Tegenwoordig deelwoord

Tegenwoordige tijd

  • ik

  • jij / je, u

  • hij, zij / ze, het

  • wij / we

  • jullie

Examples

  • Hij vreet iets onder de tafel.

    tegenwoordige tijd, indicatief

  • Zij vrat het laatste stuk kaas op.

    verleden tijd, indicatief

  • Ik heb gevreten van de overvloed.

    voltooid deelwoord, indicatief