Ik leer hoe ik moet wateren in mijn tuin.
De waterende bloemen zien er gezond uit.
ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het, wij / we, jullie
Wij zijn de waterende planten aan het verzorgen.
ik
Ik water de planten elke ochtend.
jij / je
Jij wateren vaak je tuin, nietwaar?
u
U watert de bloemen met veel zorg.
hij, zij / ze, het
Zij watert de planten in de zon.
wij / we
Wij wateren de hele tuin met de slang.
jullie
Jullie wateren de zaailingen elke week.
Ik waterde gisteren de bloemen, maar ze waren nog steeds dor.
Jij waterde de planten vorige week, toch?
U waterde de bomen heel voorzichtig.
Hij waterde de planten voordat het ging regenen.
Wij waterden alle bloemen in de tuin afgelopen zaterdag.
Jullie waterden de planten al vroeg in de ochtend.
Ze waterden de velden om de oogst te verbeteren.
De planten zijn goed gewaterd voor de lange reis.
Als ik jou was, watere ik de bloemen in deze hitte.
Water de planten alsjeblieft regelmatig.
Watert de zaden goed voor ze groeien!