Auxiliary verb
hebben
scheidbaar werkwoord, overgankelijk
Het werkwoord 'wegsturen' betekent iemand of iets laten vertrekken, vaak omdat het niet gewenst is. Het kan zowel letterlijk als figuurlijk gebruikt worden.
Infinitief
Tegenwoordige tijd
ik
jij / je
u
hij, zij / ze, het
wij / we
jullie
zij / ze
Verleden tijd
ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het
wij / we, jullie, zij / ze
Voltooid deelwoord
Tegenwoordig deelwoord
Aanvoegende wijs
ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het, wij / we, jullie, zij / ze
ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het, wij / we, jullie, zij / ze
Gebiedende wijs
jij / je, u, jullie
Examples
Ik **stuur** de hond **weg** omdat hij steeds blaft.
tegenwoordige tijd, aantonende wijs
De directeur **stuurde** de medewerker **weg** na het conflict.
verleden tijd, aantonende wijs
Heb je die vervelende verkoper al **weggestuurd**?
voltooid tegenwoordige tijd, aantonende wijs
**Stuur** die kat **weg** voordat hij op de bank springt!
tegenwoordige tijd, gebiedende wijs
Het is beter dat **je hem wegstuurt** voordat het uit de hand loopt.
tegenwoordige tijd, aanvoegende wijs
I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.