Ik leer hoe te welken.
ik
Ik welk de bladeren van de boom.
jij / je, u
Jij welken de bloemen.
hij, zij / ze, het
Hij welkt de grasplanten.
wij / we, jullie, zij / ze
Wij welken de bladeren in het najaar.
Ik welkte het gras vorig jaar.
wij / we
Wij welkten de bloemen in de zomer.
De bladeren zijn gewelkt in de hitte.
De welkende bloemen zijn een teken van de herfst.
De welkende bladeren vallen van de bomen.
Als ik welk welke bloem je bedoelt.
Welk de takken van de struiken.
Welkt de verwelkte bloemen en gooi ze weg.