Ik wil leren om een goede kunstenaar te worden die kan wonderen creëren.
De kinderen zaten wonderend naar de goochelaar te kijken.
De wonderende mensen waren onder de indruk van het spektakel.
Ze heeft altijd gewonderd hoe het universum werkt.
ik
Ik wonder hoe iets zo mooi kan zijn.
jij / je
Jij wonderen als je naar de sterren kijkt.
u
U wondert vast waar deze reis naartoe gaat.
hij
Hij wondert over de geheimen van de natuur.
zij / ze
Zij wondert altijd over de vragen die ze heeft.
het
Het wondert in de ochtenddamp.
wij / we
Wij wonderen wat er in de toekomst zal gebeuren.
jullie
Jullie wonderen over de schoonheid van de natuur.
Ik wonderde over de vragen die ik steeds had.
Jij wonderde in stilte over het verleden.
U wonderde hoe dit kon gebeuren.
Hij wonderde of er nog meer geheimen waren.
Zij wonderden over de uitkomsten van het experiment.
Het wonderde wat er nog zou komen.
Wij wonderden samen over de antwoorden.
Jullie wonderden tijdens het lezen van het boek.
De mensen wonderden over het mooie uitzicht.
Als hij maar wondere bij het zien van de sterren.
Wonder aan de wereld om je heen!