Ik wil niet meer zeiken over mijn problemen.
De zeikende jongen klager over alles.
De zeikende student vroeg overal om hulp.
Hij heeft al genoeg gezeikt over de situatie.
Zij hebben nooit zo veel gezeken als deze week.
ik
Toen ik jong was, zeek ik vaak over dingen.
jij / je
Jij zeikte teveel over de vakantie.
u
U zeikte gisteren ook over het weer.
hij
Hij zeikte vaak over zijn werk.
zij / ze
Zij zeikte laatst over het huiswerk.
het
Het zeikte toen het moest worden gedaan.
wij / we
Wij zeikten allemaal tijdens de vergadering.
jullie
Jullie zeikten ook teveel na de les.
Zeik niet zo, het valt allemaal wel mee!
Als je zo doorgaat, zeikt de leraar jou eruit!
Ik hoop dat je niet meer zeike in de toekomst.