Ik moet de documenten zichten voordat ik ze verstuur.
ik
Ik zicht de kooi in de tuin.
jij / je, u
Jij zicht de kleuren van de lucht.
hij, zij / ze, het
Hij zicht het verschil tussen de twee ontwerpen.
wij / we
Wij zichten de vogels in het bos.
jullie
Jullie zichten de kansen op succes.
zij / ze
Zij zichten de veranderingen in het klimaat.
Ik zichtte het landschap en vond het mooi.
Jij zichtte de details van het schilderij.
Hij zichtte de mogelijkheden voor verbetering.
Wij zichtten ons doel helder in het verleden.
Jullie zichtten de fouten in het rapport.
Zij zichtten in hun jeugd meer avontuur.
De situatie is nu in de juiste gezicht gebracht.
Zichtend naar de horizon, sprak hij zijn gedachten uit.
Zichtende naar de sterren, voelde ze zich vrij.
Moge hij wel zichte wat er aan de hand is.
Zicht goed naar de details in deze opdracht.