NEDERLANDS
🇬🇧

    Zuipen

    A2commonZipf 3.6

    zelfstandig naamwoord, enkelvoud; werkwoord

    • de zuip

      Common noun/'zœyp/

      enkelvoud

      zuip

      meervoud

      zuipen
    • zuipen

      Verb/'zœypən; 'zœypə/

      infinitief

      zuipen

      tegenwoordige tijd

      zuipzuiptzuipen

      verleden tijd

      zoopzopen

      tegenwoordig deelwoord

      zuipendzuipende

    Create a free account to generate the full entry for this word.

    Free. No password.