Ik moet hard zwoegen om mijn doelen te bereiken.
Zwoegend stapte hij de berg op.
Zwoegende arbeiders maakten het werk af.
Hij heeft de hele dag gezwoegd in de tuin.
ik
Ik zwoeg elke dag in de sportschool.
jij / je
Jij zwoegt altijd hard in het werk.
u
U zwoegt over de moeilijke taken.
hij
Hij zwoegt door de zware sneeuw.
zij / ze
Zij zwoegt om haar diploma te behalen.
het
Het zwoegt onder de zware druk tijdens de examens.
wij / we
Wij zwoegen samen aan dit project.
jullie
Jullie zwoegen elke avond voor de tests.
Ik zwoegde maandenlang aan dit boek.
Jij zwoegde door de stof voor het examen.
U zwoegde hard voor uw presentatie.
Hij zwoegde om de klus af te krijgen.
Zij zwoegde door de intense hitte.
Het zwoegde door de zware omstandigheden.
Wij zwoegden samen aan onze taken.
Jullie zwoegden vorig jaar aan die projecten.
Moge hij zwoege voor zijn dromen.
Zwoeg harder als je wilt winnen!
Zwoegt niet te lang aan dit probleem!