Verbo auxiliar hebben
werkwoord
afstuderen verwijst naar het succesvol afronden van een studie.
Infinitief Ik wil afstuderen volgend jaar.
Tegenwoordig deelwoord De student is afstuderend en werkt aan zijn scriptie.
De afstuderende studenten gaven een presentatie.
Tegenwoordige tijd ik
jij / je
Jij afstudeert volgend jaar.
u
U afstudeert binnenkort, klopt dat?
hij
Hij afstudeert na de zomer.
zij / ze
Zij afstudeert aan de universiteit.
het
Het afstudeert wanneer de tijd daar is.
wij / we
jullie
Jullie studeren in juni af.
Verleden tijd ik
Ik afstudeerde vorig jaar.
jij / je
u
U afstudeerde met hoge cijfers.
hij
Hij afstudeerde aan de hogeschool.
zij / ze
Zij afstudeerden samen als groep.
wij / we
Wij afstudeerden verleden jaar.
jullie
Jullie afstudeerden met trots.
Voltooid deelwoord Zij is afgestudeerd met een mooie diploma.
Aanvoegende wijs ik
Ik hoop dat ik afstudere dit jaar.
jij / je
Als jij studere af, ben je klaar voor werk.
Gebiedende wijs Studeer af en ga aan het werk!
Construi este diccionario para ser el recurso mas completo para estudiantes de neerlandes en su categoria. Las definiciones y ejemplos son generados, por lo que puedes encontrar errores ocasionales — confia en tu instinto.