Simuleren
Verbo auxiliar
hebben
regelmatig werkwoord (zwak werkwoord)
Het werkwoord 'simuleren' wordt vaak gebruikt in contexten van training, onderwijs, wetenschap, of situaties waarin iets nagebootst wordt, zoals computersimulaties, rollenspelen, of het nabootsen van gedrag.
Infinitief
Tegenwoordige tijd
ik
jij / je, u
u
hij, zij / ze, het
wij / we, jullie, zij / ze
Verleden tijd
ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het
wij / we, jullie, zij / ze
Voltooid deelwoord
Tegenwoordig deelwoord
Aanvoegende wijs
ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het, wij / we, jullie, zij / ze
Gebiedende wijs
jij / je, u, jullie
Ejemplos
De piloot oefent in een vluchtsimulator die elke noodsituatie **simuleert**.
tegenwoordige tijd, aantonende wijs
Vorig jaar **simuleerden** we een aardbeving om de evacuatieprocedure te testen.
verleden tijd, aantonende wijs
Het is belangrijk dat je de test **simulere** voordat je hem maakt.
tegenwoordige tijd, aanvoegende wijs
**Simuleer** de presentatie een paar keer, zodat je zeker weet dat alles goed gaat.
tegenwoordige tijd, gebiedende wijs
De wetenschappers hebben het effect van klimaatverandering **gesimuleerd** met een computermodel.
voltooid tegenwoordige tijd, aantonende wijs
Construi este diccionario para ser el recurso mas completo para estudiantes de neerlandes en su categoria. Las definiciones y ejemplos son generados, por lo que puedes encontrar errores ocasionales — confia en tu instinto.