Verbo auxiliar hebben
hebben; refl,trans
Kan zowel transitief ('iets wassen') als reflexief ('zich wassen') worden gebruikt. Het voltooid deelwoord is onregelmatig ('gewassen').
Infinitief
Ik ga straks de auto wassen.
Tegenwoordige tijd ik
Ik was mijn handen met zeep.
jij / je
Jij wast de afwas nu wel erg langzaam.
jij / je
Wanneer was je de vloer weer?
u
U wast toch ook de handdoeken op zestig graden?
hij
Hij wast zijn fiets elke zondag.
zij / ze
Zij wast de kleren van het hele gezin.
het
De regen wast het zand van de stoep.
wij / we
Wij wassen de ramen samen met de buren.
jullie
Jullie wassen toch om de beurt af?
zij / ze
De kinderen wassen hun handen voor het eten.
Verleden tijd ik
Ik waste mijn haar met een nieuwe shampoo.
jij / je
Jij waste de auto precies voor het ging regenen.
u
U waste destijds alles nog met de hand.
hij
Hij waste zijn truitje en hing het te drogen.
zij / ze
Zij waste de vieze borden één voor één.
het
De zee waste al zijn voetsporen van het strand.
wij / we
We wasten zaterdag de hele berg vuile kleren.
jullie
Jullie wasten vorige week ook al onze dekens.
zij / ze
Zij wasten de ramen vlak voor de visite kwam.
Voltooid deelwoord
Ik heb mijn handen net gewassen.
Tegenwoordig deelwoord
Wassend en schrobbend maakte ze de badkamer schoon.
De wassende vrouw neuriede een vrolijk liedje.
Gebiedende wijs
Was je handen voordat je aan tafel komt!
Aanvoegende wijs
Hij wasse zijn handen in onschuld, zoals Pilatus deed.
Ejemplos Ik was elke ochtend mijn gezicht met koud water.
tegenwoordig, indicatief
Gisteren wasten we samen de auto in de tuin.
verleden, indicatief
Heb je je haar al gewassen vandaag?
voltooid tegenwoordig, indicatief
Construi este diccionario para ser el recurso mas completo para estudiantes de neerlandes en su categoria. Las definiciones y ejemplos son generados, por lo que puedes encontrar errores ocasionales — confia en tu instinto.