Werkwoord
Tegenwoordig deelwoord
ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het, wij / we, jullie
Voorbeelden
Hij jagt met zijn vrienden in het park.
tegenwoordige tijd, indicatief
Waarom jagt zij altijd die vogel met haar camera?
tegenwoordige tijd, indicatief
Ik heb dit woordenboek gebouwd als de meest complete Nederlandse leermiddel in zijn soort. Definities en voorbeelden zijn gegenereerd, dus je kunt af en toe een foutje tegenkomen — vertrouw op je gevoel.