🇳🇱

Tegenwoordig deelwoord

  • ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het, wij / we, jullie

Voorbeelden

  • Hij jagt met zijn vrienden in het park.

    tegenwoordige tijd, indicatief

  • Waarom jagt zij altijd die vogel met haar camera?

    tegenwoordige tijd, indicatief

Ik heb dit woordenboek gebouwd als de meest complete Nederlandse leermiddel in zijn soort. Definities en voorbeelden zijn gegenereerd, dus je kunt af en toe een foutje tegenkomen — vertrouw op je gevoel.