Bijvoeglijk naamwoord
Attributieve vormen
Als je zegt 'de sluike haren', gebruik je 'sluike' vóór het zelfstandig naamwoord.'
- Met bepaald lidwoord
- de sluike
- "De sluike haren zijn mooi."
- Met onbepaald lidwoord
- een sluik
- "Hij heeft een sluik haar."
- Zonder lidwoord
- sluik
- "Sluik haar is stijlvol."
Predicatieve vorm
Na 'zijn' of 'worden' gebruik je altijd 'sluik': Het haar is sluik.
Vergrotende trap
Als je 'sluiker' gebruikt, vergelijk je twee dingen: Dit haar is sluiker dan dat haar.
- Grondvorm
- sluiker
- "Dit haar is sluiker dan dat haar."
- Met "dan"
- sluikere
- "Ze heeft sluikere haren dan haar zus."
Overtreffende trap
Bij 'sluikste' beschrijf je het hoogste niveau van sluikheid. Bijvoorbeeld: Haar haar is het sluikste van de groep.
- Attributief
- de sluikste
- "Zij heeft de sluikste haren van allemaal."
- Predicatief
- sluikste
- "Haar haar is het sluikste in de klas."
Belangrijke opmerkingen
- usage:Sluik wordt vaak gebruikt om haardracht te beschrijven.
- spelling:'Sluik' verandert in 'sluiker' en 'sluikste' in de vergrotende en overtreffende trap.
Ik heb dit woordenboek gebouwd als de meest complete Nederlandse leermiddel in zijn soort. Definities en voorbeelden zijn gegenereerd, dus je kunt af en toe een foutje tegenkomen — vertrouw op je gevoel.