Infinitief Ik leer hoe ik kan e-mailen met mijn leraren.
Tegenwoordige tijd ik
Ik e-mail mijn vrienden vaak.
jij / je
Jij e-mailt de mensen in je klas.
u
U e-mailt de klant over het product.
hij, zij / ze, het
Hij e-mailt zijn baas elke dag.
wij / we
Wij e-mailen elkaar de documenten.
jullie
Jullie e-mailen voor de vergadering.
Verleden tijd ik
Ik e-mailde gister mijn sollicitatie.
jij / je
Jij e-mailde de uitnodiging toch?
u
U e-mailde de rapporten vorige week.
hij, zij / ze, het
Hij e-mailde zijn professor om hulp.
wij / we
Wij e-mailden onze ideeën naar de organisatie.
jullie
Jullie e-mailden het programma aan de deelnemers.
Voltooid deelwoord ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het, wij / we, jullie
Ik heb de documenten ge-e-maild.
Tegenwoordig deelwoord ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het, wij / we, jullie
E-mailend liep ik door het kantoor.
Aanvoegende wijs E-maile snel als je meer vragen hebt.
Gebiedende wijs E-mail de informatie voor morgen.
Bu sozlugu, turunde en kapsamli Hollandaca ogrenme kaynagi olarak insa ettim. Tanimlar ve ornekler uretilmistir, bu nedenle ara sira hatalarla karsilasabilirsiniz — icguduilerinize guvenin.