Tegenwoordige tijd ik
Ik gebied je om te komen.
jij / je
Jij gebieden ons te luisteren.
u
U gebiedt ons de waarheid te vertellen.
hij, zij / ze, het
Hij gebiedt de honden om stil te zijn.
wij / we
Wij gebieden jullie om te stoppen.
jullie
Jullie gebieden ons om te wachten.
Gebiedende wijs
Gebied de kinderen om te luisteren.
Aanvoegende wijs
Ik hoop dat jij gebiede om je huiswerk te maken.
Infinitief
Het is belangrijk om te gebieden.
Tegenwoordig deelwoord
De gebiedend man vroeg om stilte.
De gebiedende toon ging niet verloren.
Verleden tijd
Hij had ons geboden te zwijgen.
Zij gebood de kinderen om naar huis te gaan.
Voltooid deelwoord
Hij heeft ons altijd geboden om eerlijk te zijn.
Bu sozlugu, turunde en kapsamli Hollandaca ogrenme kaynagi olarak insa ettim. Tanimlar ve ornekler uretilmistir, bu nedenle ara sira hatalarla karsilasabilirsiniz — icguduilerinize guvenin.