Yardimci fiil hebben
werkwoord
Grommen kan variëren van een uiting van onvrede tot een meer speelse communicatie.
Infinitief Ik ben benieuwd hoe je moet grommen.
Tegenwoordig deelwoord ik, jij / je, hij, zij / ze, het, wij / we, jullie
De hond is grommend van de schaduw aan het genieten.
ik, jij / je, hij, zij / ze, het, wij / we, jullie
De grommende beer maakte iedereen bang.
Tegenwoordige tijd ik
jij / je
Jij gromt als je gefrustreerd bent.
u
U gromt als u niet tevreden bent.
hij
Hij gromt als hij zich niet lekker voelt.
zij / ze
Zij gromt altijd tijdens een film.
het
Het gromt een beetje als het pijn heeft.
wij / we
Wij grommen soms over de hitte.
jullie
Jullie grommen wanneer er geen eten is.
Verleden tijd ik
Ik gromde van irritatie tijdens de vergadering.
jij / je
Jij gromde toen je de slechte beoordeling kreeg.
u
U gromde tegen de reporter.
hij
Hij gromde na de domme opmerking.
zij / ze
Zij gromde van frustratie.
het
Het gromde toen het zich verdedigde.
wij / we
Wij gromden samen om een gezamenlijke frustratie.
jullie
Jullie gromden over de lange wachttijden.
Voltooid deelwoord De hond heeft gegromd omdat hij zich bedreigd voelde.
Aanvoegende wijs Als je wilt dat de hond stopt, gromme dan niet.
Gebiedende wijs Grom met de hond als hij jou benadert!
Bu sozlugu, turunde en kapsamli Hollandaca ogrenme kaynagi olarak insa ettim. Tanimlar ve ornekler uretilmistir, bu nedenle ara sira hatalarla karsilasabilirsiniz — icguduilerinize guvenin.