Infinitief Ik leer om goed te ontbijten.
Tegenwoordig deelwoord De kinderen zijn ontbijtent voor school.
De ontbijtende jongen leest een boek.
Tegenwoordige tijd ik
Ik ontbijt elke ochtend om acht uur.
jij / je
Jij ontbijt nu, toch?
u
U ontbijt altijd zo vroeg.
hij
Hij ontbijt regelmatig in het café.
zij / ze
Zij ontbijt met haar vrienden.
het
Het ontbijt is klaar.
wij / we
Wij ontbijten samen op zondag.
jullie
Jullie ontbijten nooit laat.
Verleden tijd ik
Gisteren ontbeet ik bij mijn ouders.
jij / je
Ontbeet jij ook zo vroeg?
u
U ontbeet altijd met een krant.
hij
Hij ontbeet in het restaurant gisteren.
zij / ze
Zij ontbeet met haar familie.
het
Het ontbeet goed in de ochtend.
wij / we
Wij hebben ontbeten voordat we vertrokken.
jullie
Jullie hebben ook ontbeten, toch?
Voltooid deelwoord Wij hebben ontbeten voordat we gingen wandelen.
Aanvoegende wijs Ik hoop dat hij ontbeet zoals gepland.
Gebiedende wijs Ontbijt snel, we hebben geen tijd!
Bu sozlugu, turunde en kapsamli Hollandaca ogrenme kaynagi olarak insa ettim. Tanimlar ve ornekler uretilmistir, bu nedenle ara sira hatalarla karsilasabilirsiniz — icguduilerinize guvenin.