Infinitief Ik wil sprieten als hobby beoefenen.
Tegenwoordige tijd ik
Ik spriet graag een beetje in mijn vrije tijd.
jij / je
Jij spriet zeker met veel enthousiasme?
u
U spriet misschien ook in de tuin, nietwaar?
hij, zij / ze, het
Hij spriet wel eens als hij zich verveelt.
wij / we
Wij sprieten samen in ons vrije tijdsproject.
jullie
Jullie sprieten vast met veel plezier!
Onderzoekers sprieten de plantensoorten.
Verleden tijd ik
Ik spriette gisteren in de tuin.
jij / je
Jij spriette drie maanden geleden ook, toch?
u
U spriette toen ook met de bloemen, herinner ik me.
hij, zij / ze, het
Hij sprietten voor het feest, was het niet?
wij / we
Wij sprietten altijd samen in de zomer.
jullie
Jullie sprietten in de lente, is dat niet juist?
Voltooid deelwoord De tuin is gespriet voordat het feest begon.
Tegenwoordig deelwoord Ik zie jou sprietend in de tuin.
Het sprietende gras lijkt welgezond.
Aanvoegende wijs Ik zou willen dat jij spriete met ons mee!
Gebiedende wijs Spriet in de tuin om het netjes te houden!
Bu sozlugu, turunde en kapsamli Hollandaca ogrenme kaynagi olarak insa ettim. Tanimlar ve ornekler uretilmistir, bu nedenle ara sira hatalarla karsilasabilirsiniz — icguduilerinize guvenin.