Infinitief Ik wil het zout bestrooien over mijn eten.
Tegenwoordig deelwoord De chef is de gerechten bestrooiend met verse kruiden.
Tegenwoordig deelwoord ik
Ik bestrooi het deeg met bloem.
jij / je
Jij bestrooit de salade met olie.
u
U bestrooit de taart met poedersuiker.
hij
Hij bestrooit de bloemen met zaad.
zij / ze
Zij bestrooit de koffer met stickers.
het
Het regenachtige weer bestrooit de straten met plassen.
wij / we
Wij bestrooien de pizza met kaas.
jullie
Jullie bestrooien de bloemen met mest.
Verleden tijd ik
Ik bestrooide de cake met chocolade.
jij / je
Jij bestrooide de plant met water.
u
U bestrooide de tafel met confetti voor het feest.
hij
Hij bestrooide de vissen met voer.
zij / ze
Zij bestrooide de vloer met zaagsel.
het
Het dieet bestrooide zijn maaltijden met groenten.
wij / we
Wij bestrooiden de barbecue met kruiden.
jullie
Jullie bestrooiden de zandbak met speeltjes.
Voltooid deelwoord De groenten zijn bestrooid met zout.
Aanvoegende wijs Ik hoop dat jullie de taart bestrooie met glazuur.
Gebiedende wijs Bestrooi de groenten met kruiden voor het bakken!
Я створив цей словник як найповніший ресурс для тих, хто вивчає нідерландську. Визначення та приклади генеруються, тому ви можете іноді помітити помилку — довіряйте своїй інтуїції.