ΠΡΡΠΈΠ±ΡΡΠΈΠ²Π½Ρ ΡΠΎΡΠΌΠΈ
Als je zegt 'de gelijke antwoorden', gebruik je 'gelijke' vΓ³Γ³r het zelfstandig naamwoord. Dit betekent dat de antwoorden hetzelfde zijn.
- Π ΠΎΠ·Π½Π°ΡΠ΅Π½ΠΈΠΌ Π°ΡΡΠΈΠΊΠ»Π΅ΠΌ
- de gelijke
- "De gelijke antwoorden zijn goed."
- Π Π½Π΅ΠΎΠ·Π½Π°ΡΠ΅Π½ΠΈΠΌ Π°ΡΡΠΈΠΊΠ»Π΅ΠΌ
- een gelijke
- "Het is een gelijke kans voor iedereen."
- ΠΠ΅Π· Π°ΡΡΠΈΠΊΠ»Ρ
- gelijk
- "Zij heeft een gelijk idee."
ΠΡΠ΅Π΄ΠΈΠΊΠ°ΡΠΈΠ²Π½Π° ΡΠΎΡΠΌΠ°
Na 'zijn' gebruik je altijd 'gelijk': De antwoorden zijn gelijk. Dit laat zien dat er geen verschil is.
ΠΠΈΡΠΈΠΉ ΡΡΡΠΏΡΠ½Ρ
Als je 'gelijker' gebruikt, vergelijk je twee dingen: Deze sok is gelijker aan die sok. Dit betekent dat de sokken bijna hetzelfde zijn.
- ΠΡΠ½ΠΎΠ²Π½Π° ΡΠΎΡΠΌΠ°
- gelijker
- "Dit is gelijker dan dat."
- Π "dan"
- gelijker dan
- "Hij is gelijker dan zijn broer."
ΠΠ°ΠΉΠ²ΠΈΡΠΈΠΉ ΡΡΡΠΏΡΠ½Ρ
Als je 'gelijkst' gebruikt, spreek je over de beste of meest gelijke in een groep: Dit is de gelijkste keuze van allemaal.
- ΠΡΡΠΈΠ±ΡΡΠΈΠ²Π½Π΅
- gelijkst
- "Het is de gelijkste oplossing."
- ΠΡΠ΅Π΄ΠΈΠΊΠ°ΡΠΈΠ²Π½Π΅
- gelijkste
- "Dit is het gelijkste antwoord."
ΠΠ°ΠΆΠ»ΠΈΠ²Ρ Π·Π°ΡΠ²Π°ΠΆΠ΅Π½Π½Ρ
- usage:'Gelijk' wordt vaak gebruikt om te zeggen dat dingen of personen hetzelfde zijn.
- spelling:Let op dat je 'gelijk' met een 'g' schrijft en niet met een 'k'.
Π― ΡΡΠ²ΠΎΡΠΈΠ² ΡΠ΅ΠΉ ΡΠ»ΠΎΠ²Π½ΠΈΠΊ ΡΠΊ Π½Π°ΠΉΠΏΠΎΠ²Π½ΡΡΠΈΠΉ ΡΠ΅ΡΡΡΡ Π΄Π»Ρ ΡΠΈΡ , Ρ ΡΠΎ Π²ΠΈΠ²ΡΠ°Ρ Π½ΡΠ΄Π΅ΡΠ»Π°Π½Π΄ΡΡΠΊΡ. ΠΠΈΠ·Π½Π°ΡΠ΅Π½Π½Ρ ΡΠ° ΠΏΡΠΈΠΊΠ»Π°Π΄ΠΈ Π³Π΅Π½Π΅ΡΡΡΡΡΡΡ, ΡΠΎΠΌΡ Π²ΠΈ ΠΌΠΎΠΆΠ΅ΡΠ΅ ΡΠ½ΠΎΠ΄Ρ ΠΏΠΎΠΌΡΡΠΈΡΠΈ ΠΏΠΎΠΌΠΈΠ»ΠΊΡ β Π΄ΠΎΠ²ΡΡΡΠΉΡΠ΅ ΡΠ²ΠΎΡΠΉ ΡΠ½ΡΡΡΡΡΡ.