Geloof
Π€ΠΎΡΠΌΠΈ ΠΎΠ΄Π½ΠΈΠ½ΠΈ
'Geloof' wordt meestal in het enkelvoud gebruikt als het gaat om een algemene overtuiging of vertrouwen. Het kan zowel religieus als niet-religieus zijn.
- ΠΠ·Π½Π°ΡΠ΅Π½ΠΈΠΉ (de/het)
- ΠΠ΅ΠΎΠ·Π½Π°ΡΠ΅Π½ΠΈΠΉ (een)
- ΠΠ΅Π· Π°ΡΡΠΈΠΊΠ»Ρ
Π€ΠΎΡΠΌΠΈ ΠΌΠ½ΠΎΠΆΠΈΠ½ΠΈ
'Geloven' in het meervoud verwijst meestal naar verschillende religies of systemen van overtuigingen.
- ΠΠ·Π½Π°ΡΠ΅Π½ΠΈΠΉ (de)
- ΠΠ΅Π· Π°ΡΡΠΈΠΊΠ»Ρ
ΠΠΌΠ΅Π½ΡΡΠ²Π°Π»ΡΠ½Π° ΡΠΎΡΠΌΠ°
Het diminutief 'geloofje' wordt gebruikt om iets luchtig of minder serieus te benoemen, vaak in informele contexten.
informeel
Π§Π°ΡΡΠΎΡΠ½Ρ ΡΠΊΠ»Π°Π΄Π΅Π½Ρ ΡΠ»ΠΎΠ²Π°
geloofsovertuiging
Een specifieke overtuiging of doctrine binnen een geloof.
geloofscrisis
Een periode van twijfel of verlies van geloof.
geloofwaardigheid
De mate waarin iets of iemand geloofwaardig is.
bijgeloof
Bijgelovige overtuigingen of praktijken.
Π§Π°ΡΡΠΎΡΠ½Ρ ΡΠ»ΠΎΠ²ΠΎΡΠΏΠΎΠ»ΡΡΠ΅Π½Π½Ρ
in geloof
De combinatie 'in geloof' wordt vaak gebruikt om vertrouwen of overtuiging uit te drukken.
verlies van geloof
Deze combinatie beschrijft een situatie waarin iemand zijn vertrouwen of overtuiging verliest.
sterk geloof
Deze combinatie benadrukt een diepe overtuiging of vertrouwen.
geloof hechten aan
Deze uitdrukking betekent dat je iets gelooft of serieus neemt.
ΠΠ°ΠΆΠ»ΠΈΠ²Ρ Π·Π°ΡΠ²Π°ΠΆΠ΅Π½Π½Ρ
- countability:'Geloof' is meestal een niet-telbaar zelfstandig naamwoord als het gaat om vertrouwen of overtuiging (bijv. 'geloof in jezelf'). Het is wel telbaar als het verwijst naar verschillende religies (bijv. 'de geloven van de wereld').
- usage:In religieuze contexten wordt 'geloof' vaak gebruikt om een specifieke religie aan te duiden (bijv. 'het christelijk geloof'). In niet-religieuze contexten betekent het vaak 'vertrouwen' (bijv. 'geloof in de toekomst').
- irregular:Het meervoud 'geloven' wordt minder vaak gebruikt dan het enkelvoud, behalve als het gaat om verschillende religies of systemen van overtuigingen.
Π― ΡΡΠ²ΠΎΡΠΈΠ² ΡΠ΅ΠΉ ΡΠ»ΠΎΠ²Π½ΠΈΠΊ ΡΠΊ Π½Π°ΠΉΠΏΠΎΠ²Π½ΡΡΠΈΠΉ ΡΠ΅ΡΡΡΡ Π΄Π»Ρ ΡΠΈΡ , Ρ ΡΠΎ Π²ΠΈΠ²ΡΠ°Ρ Π½ΡΠ΄Π΅ΡΠ»Π°Π½Π΄ΡΡΠΊΡ. ΠΠΈΠ·Π½Π°ΡΠ΅Π½Π½Ρ ΡΠ° ΠΏΡΠΈΠΊΠ»Π°Π΄ΠΈ Π³Π΅Π½Π΅ΡΡΡΡΡΡΡ, ΡΠΎΠΌΡ Π²ΠΈ ΠΌΠΎΠΆΠ΅ΡΠ΅ ΡΠ½ΠΎΠ΄Ρ ΠΏΠΎΠΌΡΡΠΈΡΠΈ ΠΏΠΎΠΌΠΈΠ»ΠΊΡ β Π΄ΠΎΠ²ΡΡΡΠΉΡΠ΅ ΡΠ²ΠΎΡΠΉ ΡΠ½ΡΡΡΡΡΡ.