Kleden
ДієсловоA2
Допоміжне дієслово
hebben
transitief, reflexief en intransitief; neemt 'hebben' als hulpwerkwoord
Heel vaak reflexief: 'zich kleden'. In dagelijks gebruik hoor je meestal 'aankleden' (scheidbaar werkwoord).
Infinitief
Tegenwoordige tijd
ik
jij / je
jij / je
u
hij, zij / ze, het
wij / we
jullie
zij / ze
Verleden tijd
ik
jij / je
hij, zij / ze, het
wij / we
jullie
zij / ze
Voltooid deelwoord
Tegenwoordig deelwoord
Gebiedende wijs
Aanvoegende wijs
Приклади
De verpleegster kleedt de patiënt voorzichtig aan.
tegenwoordig, indicatief
Ik kleedde me snel om voor het sporten.
verleden, indicatief
Ze heeft zich mooi gekleed voor het feest.
voltooid tegenwoordig, indicatief
Продовжуйте вчитися
Я створив цей словник як найповніший ресурс для тих, хто вивчає нідерландську. Визначення та приклади генеруються, тому ви можете іноді помітити помилку — довіряйте своїй інтуїції.