ΠΡΡΠΈΠ±ΡΡΠΈΠ²Π½Ρ ΡΠΎΡΠΌΠΈ
Als je zegt 'de opgewonden persoon' of 'een opgewonden kind', gebruik je 'opgewonden' vΓ³Γ³r het zelfstandig naamwoord.
- Π ΠΎΠ·Π½Π°ΡΠ΅Π½ΠΈΠΌ Π°ΡΡΠΈΠΊΠ»Π΅ΠΌ
- de opgewonden persoon
- "De opgewonden persoon praat veel."
- Π Π½Π΅ΠΎΠ·Π½Π°ΡΠ΅Π½ΠΈΠΌ Π°ΡΡΠΈΠΊΠ»Π΅ΠΌ
- een opgewonden kind
- "Ik zie een opgewonden kind in het park."
- ΠΠ΅Π· Π°ΡΡΠΈΠΊΠ»Ρ
- opgewonden
- "Hij is altijd opgewonden."
ΠΡΠ΅Π΄ΠΈΠΊΠ°ΡΠΈΠ²Π½Π° ΡΠΎΡΠΌΠ°
Na 'zijn' of 'worden' gebruik je altijd 'opgewonden': De hond is opgewonden.
ΠΠΈΡΠΈΠΉ ΡΡΡΠΏΡΠ½Ρ
Als je vergelijkt, gebruik je 'opgewondener' om te zeggen dat iemand of iets meer opgewonden is: Mijn broer is opgewondener dan ik.
- ΠΡΠ½ΠΎΠ²Π½Π° ΡΠΎΡΠΌΠ°
- opgewondener
- "Hij is opgewondener dan zij."
- Π "dan"
- opgewondener dan
- "Mijn hond is opgewondener dan jouw hond."
ΠΠ°ΠΉΠ²ΠΈΡΠΈΠΉ ΡΡΡΠΏΡΠ½Ρ
Als je het hoogste niveau aangeeft, gebruik je 'opgewondenste': Van alle kinderen in de klas is hij de opgewondenste.
- ΠΡΡΠΈΠ±ΡΡΠΈΠ²Π½Π΅
- de opgewondendste kinderen
- "De opgewondendste kinderen kunnen niet stil zitten."
- ΠΡΠ΅Π΄ΠΈΠΊΠ°ΡΠΈΠ²Π½Π΅
- opgewondenste
- "Zij is de opgewondenste van de groep."
ΠΠ°ΠΆΠ»ΠΈΠ²Ρ Π·Π°ΡΠ²Π°ΠΆΠ΅Π½Π½Ρ
- usage:'Opgewonden' kan een emotionele toestand beschrijven die zowel positief als negatief kan zijn.
Π― ΡΡΠ²ΠΎΡΠΈΠ² ΡΠ΅ΠΉ ΡΠ»ΠΎΠ²Π½ΠΈΠΊ ΡΠΊ Π½Π°ΠΉΠΏΠΎΠ²Π½ΡΡΠΈΠΉ ΡΠ΅ΡΡΡΡ Π΄Π»Ρ ΡΠΈΡ , Ρ ΡΠΎ Π²ΠΈΠ²ΡΠ°Ρ Π½ΡΠ΄Π΅ΡΠ»Π°Π½Π΄ΡΡΠΊΡ. ΠΠΈΠ·Π½Π°ΡΠ΅Π½Π½Ρ ΡΠ° ΠΏΡΠΈΠΊΠ»Π°Π΄ΠΈ Π³Π΅Π½Π΅ΡΡΡΡΡΡΡ, ΡΠΎΠΌΡ Π²ΠΈ ΠΌΠΎΠΆΠ΅ΡΠ΅ ΡΠ½ΠΎΠ΄Ρ ΠΏΠΎΠΌΡΡΠΈΡΠΈ ΠΏΠΎΠΌΠΈΠ»ΠΊΡ β Π΄ΠΎΠ²ΡΡΡΠΉΡΠ΅ ΡΠ²ΠΎΡΠΉ ΡΠ½ΡΡΡΡΡΡ.