Infinitief Ik wil graag leren om te slaan.
Tegenwoordig deelwoord De slaande kinderen zorgen voor veel geluid.
De jongen is slaand geweest tijdens het spel.
Tegenwoordige tijd ik
Ik sla de bal over het net.
jij / je, u
Jij slaat de bal met kracht.
hij, zij / ze, het
Zij slaat de verkeerde toets op het keyboard.
wij / we, jullie
Wij slaan de handen ineen om samen te werken.
Verleden tijd ik, hij, zij / ze
Ik sloeg de bal tijdens de wedstrijd.
wij / we, jullie
Wij sloegen de handen ineen voor het goede doel.
Voltooid deelwoord De bal is geslagen door de speler.
Gebiedende wijs Sla de bal goed om te winnen.
Aanvoegende wijs Het zou beter zijn als hij slaat.
Я створив цей словник як найповніший ресурс для тих, хто вивчає нідерландську. Визначення та приклади генеруються, тому ви можете іноді помітити помилку — довіряйте своїй інтуїції.