Tegenwoordige tijd ik
Ik vijs het hout glad.
jij / je, u
Jij vijst de spijker in de muur.
hij, zij / ze, het
Hij vijst de panelen gelijk.
wij / we
Wij vijzen de planken samen.
jullie
Jullie vijzen de tafel mooi af.
Verleden tijd ik
Ik vees het hout gisteren.
jij / je, u
Jij vees de planken goed terug.
hij, zij / ze, het
Hij vees het materiaal met zorg.
wij / we
Wij vezen de tafel vorige week.
jullie
Jullie vezen de deuren eerder.
Voltooid deelwoord Het hout is gevezen voor de afwerking.
Tegenwoordig deelwoord Hij is vijzend bezig met het project.
De vijzende arbeider werkt snel.
Aanvoegende wijs Laat hem vijze wat hij denkt.
Gebiedende wijs Vijs het voorwerp vast!
Vijst dat plankje goed!
Я створив цей словник як найповніший ресурс для тих, хто вивчає нідерландську. Визначення та приклади генеруються, тому ви можете іноді помітити помилку — довіряйте своїй інтуїції.