ΠΡΡΠΈΠ±ΡΡΠΈΠ²Π½Ρ ΡΠΎΡΠΌΠΈ
Als je zegt 'de vreemde man' of 'een vreemde situatie', gebruik je 'vreemde' voordat het zelfstandig naamwoord.
- Π ΠΎΠ·Π½Π°ΡΠ΅Π½ΠΈΠΌ Π°ΡΡΠΈΠΊΠ»Π΅ΠΌ
- de vreemde
- "De vreemde man sprak met mij."
- Π Π½Π΅ΠΎΠ·Π½Π°ΡΠ΅Π½ΠΈΠΌ Π°ΡΡΠΈΠΊΠ»Π΅ΠΌ
- een vreemde
- "Ik zag een vreemde in de winkel."
- ΠΠ΅Π· Π°ΡΡΠΈΠΊΠ»Ρ
- vreemd
- "Dat is vreemd."
ΠΡΠ΅Π΄ΠΈΠΊΠ°ΡΠΈΠ²Π½Π° ΡΠΎΡΠΌΠ°
Na 'zijn' of 'worden' gebruik je altijd 'vreemd': Het boek is vreemd.
ΠΠΈΡΠΈΠΉ ΡΡΡΠΏΡΠ½Ρ
Als je iets vergelijkt, zeg je 'vreemder': Deze plek is vreemder dan de andere.
- ΠΡΠ½ΠΎΠ²Π½Π° ΡΠΎΡΠΌΠ°
- vreemder
- "Hij is vreemder dan zijn broer."
- Π "dan"
- vreemder
- "Deze situatie is vreemder dan de vorige."
ΠΠ°ΠΉΠ²ΠΈΡΠΈΠΉ ΡΡΡΠΏΡΠ½Ρ
Om het hoogste niveau aan te geven, gebruik je 'vreemdst': Zijn idee is het vreemdste.
- ΠΡΡΠΈΠ±ΡΡΠΈΠ²Π½Π΅
- de vreemdste
- "Hij is de vreemdste persoon die ik ken."
- ΠΡΠ΅Π΄ΠΈΠΊΠ°ΡΠΈΠ²Π½Π΅
- vreemdst
- "Dit is het vreemdste boek dat ik heb gelezen."
ΠΠ°ΠΆΠ»ΠΈΠ²Ρ Π·Π°ΡΠ²Π°ΠΆΠ΅Π½Π½Ρ
- usage:'Vreemd' kan ook gebruikt worden in meer abstracte situaties, zoals 'Het voelt vreemd om alleen te zijn.'
Π― ΡΡΠ²ΠΎΡΠΈΠ² ΡΠ΅ΠΉ ΡΠ»ΠΎΠ²Π½ΠΈΠΊ ΡΠΊ Π½Π°ΠΉΠΏΠΎΠ²Π½ΡΡΠΈΠΉ ΡΠ΅ΡΡΡΡ Π΄Π»Ρ ΡΠΈΡ , Ρ ΡΠΎ Π²ΠΈΠ²ΡΠ°Ρ Π½ΡΠ΄Π΅ΡΠ»Π°Π½Π΄ΡΡΠΊΡ. ΠΠΈΠ·Π½Π°ΡΠ΅Π½Π½Ρ ΡΠ° ΠΏΡΠΈΠΊΠ»Π°Π΄ΠΈ Π³Π΅Π½Π΅ΡΡΡΡΡΡΡ, ΡΠΎΠΌΡ Π²ΠΈ ΠΌΠΎΠΆΠ΅ΡΠ΅ ΡΠ½ΠΎΠ΄Ρ ΠΏΠΎΠΌΡΡΠΈΡΠΈ ΠΏΠΎΠΌΠΈΠ»ΠΊΡ β Π΄ΠΎΠ²ΡΡΡΠΉΡΠ΅ ΡΠ²ΠΎΡΠΉ ΡΠ½ΡΡΡΡΡΡ.