Ik wil de kat aaien.
De kinderen zijn aaiend met de hond.
De vrouw was aaiende toen ze de baby zag.
ik
Ik aai de kat.
jij / je, u
Jij aait de hond.
hij, zij / ze, het
Hij aait de konijn.
wij / we, jullie
Wij aaien het paard.
Ik aaide de kat gisteren.
Jij aaide de hond vorige week.
Hij aaide de konijn gisteren.
Wij aaiden de katten vorig jaar.
Ik heb de kat geaaid.
Aai de kat voorzichtig.
Als ik een kat had, aaie ik hem graag.
我构建这部词典,旨在打造同类中最完整的荷兰语学习资源。定义和例句由 AI 生成,因此您可能偶尔会发现错误——请相信您的直觉。