NEDERLANDS
🇨🇳

Aflopen

动词

助动词

hebben

werkwoord

Het werkwoord aflopen betekent het eindigen van een periode, het afsluiten van een actie of een beweging naar beneden.

Infinitief

Tegenwoordig deelwoord

Voltooid deelwoord

Verleden tijd

  • ik

  • jij / je, u

  • hij, zij / ze, het

  • wij / we, jullie

Gebiedende wijs

Aanvoegende wijs

例句

  • Ik ga naar huis, het is nu echt afgelopen.

    voltooid deelwoord, indicative

  • Toen de vergadering afgelopen was, gingen we naar huis.

    voltooid deelwoord, indicative

  • Als jij afliep, dan kon ik ook aflopen.

    verleden tijd, indicative

  • De film liep af met een spannende climax!

    verleden tijd, indicative

  • Ben jij aflopend, of komt er meer?

    tegenwoordige tijd, indicative

  • Loop af naar de winkel en koop brood!

    gebiedende wijs, imperative

  • Het is beter dat je lope af als je twijfelt.

    aanvoegende wijs, subjunctive

我构建这部词典,旨在打造同类中最完整的荷兰语学习资源。定义和例句由 AI 生成,因此您可能偶尔会发现错误——请相信您的直觉。