Ik wil delen met jou.
ik
Ik deel mijn gedachten.
jij / je, u
Jij deelt vaak goede ideeën.
wij / we, zij / ze, jullie
Wij delen een huis.
Ik deelde mijn boeken met hem.
wij / we, jullie, zij / ze
Zij deelden hun ervaringen.
Delend met anderen leert men veel.
De delende vrienden hebben plezier.
Ik heb alles gedeeld met zij die het nodig hadden.
Deel je kennis!
Deelt jullie de informatie met ons!
Moge je delen wat je leert.
我构建这部词典,旨在打造同类中最完整的荷兰语学习资源。定义和例句由 AI 生成,因此您可能偶尔会发现错误——请相信您的直觉。