(iets beschrijven dat zich op een eerder genoemd voorwerp bevindt)
De tafel is groot en er ligt een krant op.
Kijk, die stoel is vies, ga er niet op zitten.
De bank is nieuw, mag de hond erop?
Er stond een doos op de trap en ik ben er bijna op gevallen.
Welke zin inspireerde dit schilderij?
(teruggrijpen op iets dat eerder is genoemd bij werkwoorden met 'op')
Ik heb een mail gestuurd, maar hij heeft er nog niet op gereageerd.
Je kunt erop rekenen dat ik morgen op tijd ben.
Zij wacht al uren op antwoord en hoopt er vandaag nog op.
Ik heb erop vertrouwd dat je het zou regelen.
(beweging naar een oppervlak dat net besproken is)
De ladder stond tegen de muur en hij klom erop.
Het paard stond klaar en ze sprong erop.
De fiets stond klaar en hij stapte er meteen op.
我构建这部词典,旨在打造同类中最完整的荷兰语学习资源。定义和例句由 AI 生成,因此您可能偶尔会发现错误——请相信您的直觉。