We gaan gisten in de wijnmakerij.
ik
Ik gist de appels voor de cider.
jij / je, u
Gist jij ook met ons mee?
hij, zij / ze, het
Hij gist het deeg voor het brood.
wij / we
Wij gisten samen in de keuken.
jullie
Jullie gisten de granen voor de bierproductie.
zij / ze
Zij gisten de most vóór de fermentatie.
Ik gistte de bessen vorig jaar.
Gistte jij volop in het verleden?
Hij gistte het sap voor de azijn.
Wij gistten de vruchten samen.
Jullie gistten eerder deze maand.
Zij gistten de suiker met de kruiden.
De wijn is nu gegist en klaar om te proeven.
De gistende suiker is een belangrijk onderdeel van het proces.
Het gistende mengsel rook sterk.
Ik hoop dat hij goed giste voor zijn project.
Gist het goed voor het recept!
我构建这部词典,旨在打造同类中最完整的荷兰语学习资源。定义和例句由 AI 生成,因此您可能偶尔会发现错误——请相信您的直觉。