(iets wat je vervelend of onaangenaam vindt)
Ik haat het om vroeg op te staan.
Mijn zusje haat spruitjes en eet ze nooit.
Ik haat het als mensen te laat komen.
Vroeger haatte ik wiskunde, maar nu vind ik het leuk.
Welke zin inspireerde dit schilderij?
(sterke negatieve gevoelens richting een persoon)
Hij haatte zijn baas omdat die hem oneerlijk behandelde.
De twee broers haatten elkaar jarenlang na de ruzie.
Zij heeft hem altijd gehaat omdat hij gelogen had.
De dictator werd door zijn hele volk gehaat.
我构建这部词典,旨在打造同类中最完整的荷兰语学习资源。定义和例句由 AI 生成,因此您可能偶尔会发现错误——请相信您的直觉。