(ouders en kinderen wonen samen in één huis)
Ons huisgezin bestaat uit vier personen: mijn ouders, mijn broer en ik.
Het huisgezin van mijn buren is vorige week verhuisd.
Hoeveel personen telt jouw huisgezin?
Ons huisgezin gaat volgende week op vakantie.
Dit huisgezin bestaat uit vijf personen.
Vertel eens iets over je huisgezin!
Elke zondag kookt ons huisgezin samen.
Over een paar jaar zal ons huisgezin groter zijn.
Het huisgezin, dat al jaren in deze buurt woont, organiseert elk jaar een straatfeest.
Ons huisgezin houdt van wandelen, en we gaan vaak naar het bos.
Op het feestje praatte ik met een vriend over zijn huisgezin.
Ons huisgezin viert Sinterklaas altijd met veel cadeautjes.
Mijn huisgezin eet elke avond samen.
Tijdens de ouderavond op school stelde de leraar vragen over ons huisgezin.
Het gezin, ook wel huisgezin genoemd, is de basis van de samenleving.
Dat huisgezin heeft echt een hart van goud.
Vroeger bestond ons huisgezin uit drie personen.
我构建这部词典,旨在打造同类中最完整的荷兰语学习资源。定义和例句由 AI 生成,因此您可能偶尔会发现错误——请相信您的直觉。