(dagelijkse spreektaal over een kind)
De jongen speelt graag buiten met zijn vrienden.
Die jongen is altijd zo vrolijk en enthousiast.
De jongen heeft een nieuw boek van zijn oma gekregen.
De jongen zit naast me in de trein.
Welke zin inspireerde dit schilderij?
(over jongeren op de middelbare school of in hun tienerjaren)
Tijdens zijn tienerjaren is die jongen veel veranderd.
Die jongen wil later professioneel voetballer worden.
De jongen traint elke week bij de voetbalclub.
Die jongen speelt al sinds zijn zesde piano.
(tussen vrienden of als verbaasde uitroep)
Hé jongen, hoe gaat het met je?
Die jongen daar is een goede vriend van mij.
Jongen, wat een mooie wedstrijd was dat!
Hé jongen, kun je me even helpen?
Jongen toch, dat had je niet moeten doen.
我构建这部词典,旨在打造同类中最完整的荷兰语学习资源。定义和例句由 AI 生成,因此您可能偶尔会发现错误——请相信您的直觉。