We gaan kameren in de bergen.
Hij is kamerend in zijn nieuwe kamer.
De kamerende mensen in het huis zijn erg vriendelijk.
ik
Ik kamer graag bij mijn vrienden.
jij / je
Jij kamert altijd met een glimlach.
u
U kamert heel stil in deze ruimte.
hij, zij / ze, het
Hij kamert vaak in stilte.
wij / we
Wij kameren met plezier elke zomer.
jullie
Jullie kameren in een mooi hotel.
Ik kamerde vorig jaar in een prachtig huis.
Jij kamerde toen in Nederland.
U kamerde comfortabel tijdens uw vakantie.
hij
Hij kamerde als kind vaak bij zijn grootouders.
zij / ze
Zij kamerden met veel vrienden.
Wij kamerden een week in dat leuke hotel.
Jullie kamerden daar vorig jaar ook.
Ze kamerden samen in het appartement.
Ik heb gekamerd in verschillende steden.
Moge hij altijd goed kamere.
Kamer snel, we beginnen straks!
我构建这部词典,旨在打造同类中最完整的荷兰语学习资源。定义和例句由 AI 生成,因此您可能偶尔会发现错误——请相信您的直觉。