Ik wil krijten op de stoep.
De kinderen zijn krijtend bezig op de grond.
Ik zag een krijtende leerling in de klas.
ik
Ik krijt een teken op het bord.
jij / je, u, hij, zij / ze, het
Jij krijt te veel lawaai.
wij / we, jullie
Wij krijten met veel plezier.
Ik kreet hard toen ik viel.
Hij kreet om hulp.
Wij kreten van blijdschap.
De kinderen hebben gekreten van plezier.
Als ik daar was, krijte ik om hulp.
Krijt op het bord!
我构建这部词典,旨在打造同类中最完整的荷兰语学习资源。定义和例句由 AI 生成,因此您可能偶尔会发现错误——请相信您的直觉。