Ik wil leren hoe ik kan legeren.
Hij is legerend in zijn rol als docent.
De legerende leden van de ploeg zijn enthousiast.
ik
Ik leger mijn meubels in de garage.
jij / je
Jij legeren de spullen, toch?
u
U legert alles netjes.
Ik legerde de dozen gisteren.
Jij legerde de kisten, nietwaar?
hij
Hij legerde de muren eerder dit jaar.
zij / ze
Zij legerde de materialen op de juiste plek.
wij / we
Wij legerden samen de meubels.
De meubels zijn gelegd en gelegerd in de kamer.
Ik hoop dat je legeren bij het evenement.
Leger de boeken op de tafel.
Legert de spullen niet hier.
我构建这部词典,旨在打造同类中最完整的荷兰语学习资源。定义和例句由 AI 生成,因此您可能偶尔会发现错误——请相信您的直觉。