(kinderen of volwassenen spreken over of tegen hun moeder)
Mamma, mag ik een koekje?
Ik ga vanavond bij mijn mamma eten.
Vindt jouw mamma het leuk om te koken?
Elke zondag drink ik koffie met mijn mamma.
Ik help mijn mamma met de boodschappen.
Gisteren belde ik mijn mamma om haar verjaardag te feliciteren.
Mijn mamma is mijn rots in de branding.
Mijn mamma houdt van tuinieren.
Mamma, die altijd vroeg opstaat, zorgt voor het ontbijt.
Mijn moeder, of zoals ik haar noem: mamma, is heel geduldig.
Morgen ga ik met mijn mamma naar de markt.
Tijdens het familiefeest vertelde mijn mamma grappige verhalen.
Mamma, kom je even helpen?
Mijn mamma en ik hebben een heel hechte band.
Mamma maakt de lekkerste pannenkoeken.
Voor mijn stageverslag interviewde ik mijn mamma over haar beroep.
Mamma is moe, want ze heeft de hele dag gewerkt.
我构建这部词典,旨在打造同类中最完整的荷兰语学习资源。定义和例句由 AI 生成,因此您可能偶尔会发现错误——请相信您的直觉。