(iemand gebruikt de telefoon om iemand te spreken)
Ik bel je straks op om de afspraak te bevestigen.
Heb je je ouders al opgebeld voor hun verjaardag?
Heb je je baas al opgebeld?
De leraar belde de ouders op om het gedrag van hun kind te bespreken.
Als je hulp nodig hebt, kun je me altijd opbellen.
Hij telefoneert zijn collega om het project te bespreken.
Ik zal je morgen opbellen om de details te bespreken.
Toen ik in nood zat, heb ik meteen mijn beste vriend opgebeld.
Gisteren heb ik de dokter opgebeld.
Voor het feest belde ze al haar vrienden op om de locatie door te geven.
Ik bel mijn oma elke zondag op om bij te praten.
Bel me straks even op!
Zij belt haar moeder elke dag op.
Ik bel mijn vriend op.
Hij belt zijn zus op om haar te feliciteren.
Ik moet de klantenservice opbellen om mijn bestelling te annuleren.
Ik bel mijn vriend op, maar hij neemt niet op.
我构建这部词典,旨在打造同类中最完整的荷兰语学习资源。定义和例句由 AI 生成,因此您可能偶尔会发现错误——请相信您的直觉。