(de post ophalen)
De post komt elke ochtend rond tien uur.
Ik heb de post uit de brievenbus gehaald.
De post van vandaag ligt op tafel.
Heb jij de post al opgehaald?
Ik heb de post gisteren opgehaald.
(werken bij de post)
Mijn opa werkte vroeger bij de post.
De post staakt vandaag in het hele land.
Hij werkt al tien jaar bij de post.
(naar de post gaan)
We gaan morgen naar de post om een pakket op te sturen.
De post is om vijf uur gesloten.
Zij is even naar de post gelopen.
我构建这部词典,旨在打造同类中最完整的荷兰语学习资源。定义和例句由 AI 生成,因此您可能偶尔会发现错误——请相信您的直觉。