Ik wil het huis ruimen.
De tuinman is ruimend met de bladhark.
De spelers waren ruimende op het veld.
De kinderen zijn ruimend met hun speelgoed.
De arbeider is ruimend aan het werk.
ik
Ik ruimde gisteren mijn kamer.
jij / je, u
Jij ruimde het huis netjes op.
hij, zij / ze
Hij ruimde de tafel af na het eten.
wij / we
Wij ruimden samen de garage.
jullie
Jullie ruimden het park op met z'n allen.
Het huis is geruimd door de verhuizers.
Laat het me weten als je wilt dat hij ruime bij je komt helpen.
Ruim je kamer op voor het avondeten!
We moeten de keuken ruimen voor het feestje.
tegenwoordige tijd, gebiedende wijs
我构建这部词典,旨在打造同类中最完整的荷兰语学习资源。定义和例句由 AI 生成,因此您可能偶尔会发现错误——请相信您的直觉。